Geschiedenis

Trinitatiskapel

Al in 1615 bestond er in Dordrecht een kleine groep Lutheranen. Zij beschikten vanaf 1619 over een bescheiden kerkje. Dit werd in 1621 op last van de stedelijke overheid gesloten. In 1633 is er weer sprake van een kerkgebouwtje, dat wederom werd gesloten. Diverse aanvragen bij de stedelijke overheid om vrijheid van godsdienst werden afgewezen.

Het aantal Lutheranen in Dordrecht nam echter toe. Vanaf 1680 verschenen er vele Duitse immigranten in de stad, waaronder een aantal behoorlijk welgestelden. Eén daarvan was Frederik Meulhoff, die een suikerraffinaderij stichtte in het pand “De Ossenkop” in de Wijnstraat, nabij het Groothoofd. Er ontstonden meerdere suikerraffinaderijen en die trokken arbeiders aan. De meeste van deze arbeiders waren Duits en Luthers. De suikerraffinage werd een belangrijke economische activiteit in de stad.

Het was Meulhoff die het stadsbestuur voorlegde dat hij niet in een stad wenste te blijven waar hij zijn geloof niet kon uitoefenen. Hij dreigde met zijn kapitaal Dordrecht te verlaten. Hij diende een laatste verzoek in bij het stadsbestuur, waarin hij ondermeer aangaf dat er diverse plaatsen waren in Holland, waar de Luthersen wel vrijheid van godsdienst hadden. Mede onder druk van het voornemen om Dordt te verlaten zwichtte het stadsbestuur.

Op 1 juli 1689 stemde het Oudraad van Dordrecht in met het verzoek. De Lutheranen kregen de vrijheid om hun diensten te houden. Daartoe kregen zij de kapel van het voormalige Blindenliedengasthuis in bezit als kerkgebouw. Het Blindenliedengasthuis was reeds in 1629 afgebroken, alleen de kapel was blijven staan en sinds die tijd gebruikt geweest als werkplaats waar de stad doodskisten maakte en de stadsturf bewaarde.

Na een zeer ingrijpende verbouwing werd de werkplaats weer kerkgebouw en vond op zondag 5 maart 1690 de plechtige inwijding plaats. Tot op de dag van vandaag vinden hier de diensten van de Evangelisch-Lutherse Gemeente te Dordrecht plaats.