ELK 22-10-1982
door Willem Mudde
EEN VASTE BURCHT IS ONZE GOD -
EEN VOLKS-, STRIJD- OF KERKLIED ?
Het is nog niet zo lang geleden dat Luther's bekende lied
'Een vaste burcht is onze God' algemeen te boek stond als 'het' Lutherlied.
Niet alleen in lutherse kring, ook daarbuiten bij Hervormden en Gereformeerden,
Doopsgezinden en Remonstranten. Iedereen kende het, allen noemden
het zo. 'Een vaste burcht' (zo heette het kort en bondig) was 'het'
Lutherlied.
Wij lutheranen waren er niet weinig trots op. Intern deed het ook
altijd dienst als een eigen luthers volkslied, dat steeds weerklonk
als er iets bijzonders aan de hand was. Ook bij bijzondere gelegenheden
in de gemeente werd het bij voorkeur gezongen. Vaak bij feestelijke
diensten waarin we onze saamhorigheid extra wilden onderstrepen, b.v.
bij de confirmatie van nieuwe leden. Niet voor niets circuleerde vroeger
wel het grapje dat als in zulk een dienst ter opening 'Een vaste burcht
is onze God' werd gezongen, altijd nèt de kerkeraad binnen 'schreed'
wanneer de gemeente toe was aan de regel (uit de vertaling van Ten
Kate) 'de vijand rukt vast aan, met opgestoken vaan. . .'
Ook in het internationale kerkelijk verkeer was 'het' Lutherlied altijd
favoriet, geschikt als het was om de boven-nationale lutherse verbondenheid
uit te drukken.
Bovenal was 'het' Lutherlied een protestants strijdlied geworden,
geschikt om je als protestant te manifesteren. En jaar in jaar uit
is het lied, traditie getrouw, als voornaamste lied gezongen tijdens
de viering van de Hervormingsdag, die even lang als duidelijk beschouwd
werd als een antiroomse protestdag. Zonder mankeren werd 'Een vaste
burcht' dan van stal gehaald om onze afkeer van pausdom, hiërarchie,
dwaalleer en kloosterleven kenbaar te maken. Strijdbaar werd het dan
uit volle borst gezongen, fier demonstreerden we onze vastbeslotenheid
ermee. Ja, dan fungeerde het haast als een protestants marslied, een
protestantse 'Marseillaise', zo in de trant van 'Allons enfant de
la Réforme, le jour de gloire est arrivé'.
Laten wij ons eens bezig houden met een vraag die van méér belang
is en die de oorsprong van het karakter van dit lied betreft. Gaan
we eens na of wij Luther's lied, dat we eens tot 'het' Lutherlied
bombardeerden omdat wij zijn andere niet of nauwelijks kenden, wel
recht hebben gedaan door het als luthers volkslied en lutherse Internationale,
als protestants strijd- en marslied te gebruiken.
Nu we intussen wel allemaal weten, dat Luther meer dan dertig liederen
heeft geschreven en het dus niet aangaat om van 'het' Lutherlied te
spreken, alsof het zijn enige zou zijn, kan wel vastgesteld worden,
dat het zijn meest bekende, ook zijn wijdst verbreide lied is. Hoe
het er thans bijstaat weet ik niet, maar in 1939 was het al in 184
verschillende talen overgezet. En bij mijn weten heeft geen enkel
volks- of kunstlied het zover gebracht. 'Een vaste burcht is onze
God' is ook het meest bestudeerde en beschreven lied van Luther. Er
bestaat een zeer uitgebreide literatuur over. Friedrich Spitta heeft
er al in 1905 een geheel boek aan gewijd en nadien zijn er talloze
studies over verschenen.
Kernpunt in al deze geschriften was steeds de vraag: wanneer heeft
Luther dit lied gemaakt, naar aanleiding waarvan, en in samenhang
daarmee wie heeft hij op het oog gehad toen hij het had over 'de vorst
van de hel'. Tegen wie of wat was het lied in wezen gericht?
Spitta heeft spitsvondig en via tekstparallellen de theorie opgesteld,
dat Luther zijn lied al in 1521 zou hebben geschreven, aan de vooravond
van de Rijksdag te Worms, waar hij tegen zijn tegenstanders in de
r.k. kerk in het strijdperk zou treden. Wie hij dan met de 'vorst
van het kwaad', de 'aartsvijand', de 'Satan' en de 'tyran' (ik citeerde
nu de nieuwe bewerking van het Liedboek voor de Kerken) moet hebben
bedoeld, zou dan zonneklaar zijn. Het lied zou ondubbelzinnig een
antiroomse opzet hebben en geknipt zijn om op de Hervormingsdag te
worden gezongen.
Maar hier komt reeds een eerste tegenwerping van muzikale zijde, die
in 1905 nog niet gehoord werd, omdat de hymnologie (d.i. de historische
studie van het kerklied) toen nog uitsluitend in handen was van theologen,
die de melodie van een lied als iets bijkomstigs buiten beschouwing
lieten en daar ook geen verstand van hadden. Tegenwoordig houden zich
echter meer musicologen dan theologen met de hymnologie bezig en reeds
een beginneling in dit van aspect zo veranderde vak kan nu vertellen
dat het wel hoogst onwaarschijnlijk is dat Luther zijn lied reeds
in 1521 heeft geschreven. Om de eenvoudige reden dat het anders gegarandeerd
en haast automatisch in meerstemmige vorm zou zijn opgenomen in Johann
Walter's beroemde (koor)zangboek van 1524.
Later heeft een ander, Georg Wolfram, een andere hypothese opgesteld.
Deze gaat er van uit, dat Luther zijn Vasteburg-lied gemaakt zou hebben
in 1529, toen onder sultan Soliman II de Turken voor de poorten van
Wenen stonden. Het Turkse gevaar zou de aanleiding tot het lied zijn
geweest. Inderdaad was Luther voor dit gevaar beducht.
We weten uit de gezangboekstudie echter thans dat 'Een vaste burcht'
al in 1528 in een Wittembergs gezangboek van Hans Weisz is verschenen,
dus vóór het beleg van Wenen, voordat er van acuut Turks gevaar sprake
was. En wat deed Luther toen het wél zover was? Hij schreef geen protest-
of strijdlied, maar een bewerking van de oude Latijnse 'Antiphona
pro pace' (beurtzang voor de vrede): 'Geef aan de wereld vrede, Heer,
in deze donkre tijden' (Liedboek 286), met zijn uit het gregoriaans
opgetrokken typische gebedsmelodiek! Dat is dus wel heel wat anders.
Daar hebben we ook de echte Luther!
Een belangrijke stap dichter bij de waarheid heeft Prof. W. J. Kooiman
ons gebracht toen bij in 1939 de vraag naar oorsprong en karakter
van het lied op hoger plan bracht en veronderstelde dat het wel de
duivel zelf moet zijn geweest tegen wie de hervormer zich in zijn
beroemde lied keerde. Wat intussen bij dit alles te weinig aandacht
heeft gekregen, is dat het lied, wanneer ook ontstaan, bij welke gelegenheid
ook, in wezen geen gelegenheidslied is, maar ook naar Luther's eigen
aanduiding een psalmlied is. Een weliswaar vrije bewerking van psalm
46, maar toch wel een zodanige, dat Arthur Weise in zijn boek van
1950 over de psalmen vaststelt, dat Luther in zijn lied het diepste
wezen van Ps. 46 terdege heeft gevat en bij alle vrijheden die hij
zich veroorloofde, dit psalmlied uit dezelfde geloofshouding als de
psalmist heeft geschreven.
Wij moeten er kort en goed van af in 'Een vaste burcht' een gelegenheidslied
te willen zien. We moeten ermee ophouden het zijn negatief voor te
houden, d.w.z. het in de eerste plaats beschouwen als gericht tegen
dit of dat, deze of gene, de satan of wie dan ook van zijn nawijsbare
trawanten.
Wij moeten er vooral naar toe het lied positief te beoordelen, niet
de ondertoon maar de grondtoon boven te houden en die is die van een
loflied op God's goedheid en trouw, dat ook als zodanig gezongen dient
te worden.
Laten we Luther's lied maar een parafrase van Ps. 46 noemen, maar
wèl bedenken, dat hij er eigenhandig boven schreef 'Deus noster refugium
et virtus', de Latijnse tekst van de Vulgaat voor 'God is onze toevlucht
en sterkte'. Want dat dit lied niet alleen als psalmlied geschreven
maar ook als psalmlied gebruikt is, bewijzen de later door anderen
toegevoegde Gloria Patri-strofen, die nergens anders toe hebben kunnen
dienen dan voor de liturgische praktijken, het regelmatige gebruik
van het lied in de zondagse eredienst.
Het is lang en duidelijk een grote tekortkoming en een grove nalatigheid
van 'de' hymnologie geweest, dat zij handelde of de tekst van een
lied steeds zijn alles beheersende factor zou zijn en zijn melodie
niet ter zake zou dienen, hoogstens een bijkomstige betekenis had.
Dat moge met sommige liederen het geval zijn, met name als het om
z.g. 'leen'-wijzen gaat, dit zijn melodieën die oorspronkelijk een
ander lied, of andere liederen hadden gediend, maar dat geldt geenszins
voor de liederen van de Reformatietijd. Al helemaal niet voor die
van Luther. Omdat deze, niet voor niets de 'Wittembergse nachtegaal'
genoemd, op de toen beproefde meesterzangers-manier zèlf de melodieën
bij zijn teksten schreef, d.w.z. componeerde, d.i. samenstelde, opbouwde
uit bepaalde modellen, die weer gekozen werden overeenkomstig het
karakter van de tekst.
Zo greep Luther voor gebedsliederen strijk en zet naar gregoriaanse
voorbeelden, voor lofliederen naar jonische modellen, met grotere
sprongen. En wat deed hij in het geval van zijn lied naar Psalm 46?
Hij koos de melodievorm van het sololied, zoals hij ook deed bij zijn
'Lofzang op de Kerk 'en zijn Nunc dimittis-lied, de Lofzang van Simeon
(luthers katern van het Liedboek, blz. 30). Met de z.g. 'Silberweise'
van de bekende meesterzanger Hans Sachs in herinnering, schiep bij
een melodie in de trant van het z.g. 'hoofse' lied. Een ritmisch niet
gemakkelijke wijs, maar wel een fleurige en zwierige, een vrolijke
en lichtvoetige. Een melodie die als je haar in details nagaat, de
tekst blijkt te zijn aangemeten, er innerlijk mee correspondeert en
zo de gewenste muzikale vleugels geeft.
En hier zijn we gekomen tot de kern van de zaak. Tot de vraag wat
deze melodie mede over het karakter van dit beroemde lied van Luther
te zeggen heeft. Wijst dat in de richting van een luthers volkslied,
van een protestants strijdlied, of geeft dit aan dat we met een psalmlied,
een gewoon liturgisch kerklied te doen hebben.
Eén ding moeten we nu wel even goed in de gaten houden. De melodie
waarover ik het zo-even had en die voor mij opgeslagen ligt in het
centrale gezangboek van de 16e eeuw, dat van Valentin Babst van 1545,
is uiteraard de oorspronkelijke, de originele, de echte. Zij onderscheidt
zich wezenlijk van die welke wij vroeger zo goed gekend, zo graag
gezongen hebben en waarmee de ouderen onder ons zijn opgegroeid. Wie
die als de 'oude' beschouwt en de originele als een ‘nieuwe’, begaat
een fout, stelt de zaken op zijn kop. Wie, als bij aan 'de' melodie
van 'het' Lutherlied denkt, een wijs in gedachten heeft waarvan de
begintonen, zoals dat vroeger heette, 'dreunen als een klok', die
heeft in feite een nieuwe en latere voor de geest, een sterk veranderde
en geheel vervormde.
De authentieke melodie van 'Een vaste burcht' is die zoals zij nu
in het Liedboek voor de Kerken staat, eerder reeds was opgenomen in
ons Evangelisch-Luthers Gezangboek van 1955 en dáárvoor al was genoteerd
in het toonaangevende Evangelisches Kirchengesangbuch van 1950.
De latere, schijnbaar zo fiere, maar in werkelijkheid zo afgeplatte
melodievorm is maar een uitvinding van diezelfde stoere lutherse voorvaderen
die de Hervormingsdag als protestdag uitdachten. Hij is ontstaan in
een tijd waarin men het gemeentegezang fier en statig, breed en traag
wilde laten verlopen. Waartoe over alle oude kerkliederen de hete
bout van de tijdgeest werd gehaald om al hun ritmische plooien glad
te strijken. Zegt het niet wat deze geplette liedvorm tegenover het
gericht der geschiedenis niet heeft kunnen verantwoorden?
Inmiddels zal het nu wel duidelijk zijn geworden dat, nu we Luther's lied van de muzikale vermomming van de 18e eeuw hebben ontdaan, tegelijk zijn krijgshaftige reputatie is opgeblazen. Blijft over dat het een normaal, zo men wil, een gewoon kerklied is, met een tekst die ver boven het niveau van een berijming van Psalm 46 uitgaat en een melodie die allesbehalve alledaags mag worden genoemd. Maar is daarmee nu alles gezegd? Levert een nadere beschouwing van de weer ingevoerde oorspronkelijke melodie niet nog iets verrassends op? Wis en waarachtig!
Er is ontdekt dat de melodie van 'Een vaste burcht is onze God' als
type niet op zichzelf staat, doch nauwe bloedbanden bezit met enkele
andere kernachtige liederen uit de Wittenbergse kring. En wat daarbij
in het oog springt is, dat die liederen alle een verkondigende, proclamerende
tekst dienen, zoals b.v. Luthers martelarenlied 'Ein neues Lied wir
heben an' , zijn kinder-kerstlied 'Vom Himmel hoch da komm' ich her'
(Liedboek, 133) en om ook een lied van Joh. Zwick te noemen 'All Morgen
ist ganz frisch und neu' (Liedboek, 375).
Toen eenmaal vaststond dat Luther de melodie van 'Een vaste burcht'
wel gemaakt moet hebben met de Silberweise van Hans Sachs in het achterhoofd,
is in 1960 Ursula Aarburg weer de oorsprong van de Silberweise nagegaan.
En waar kwam zij terecht? Bij de oude Franse troubadours, bij een
liefdeslied van Peire Vidal uit de jaren 1185-1205, dat inderdaad
dezelfde karaktertrekken als de Silberweise en 'Een vaste burcht'
vertoont, n.l. de opvallend hoge inzet, een jonisch verloop en stijgende
gangen in de tweede liedhelft. En zij verklaart de herhaalde octaaftonen
aan het begin van Vidal's troubadourslied uiteraard niet als tekenen
van een proclamatie, maar zoals in de lijn ligt, als een muzikale
vraag om aandacht, een oproep tot attentie.
Welnu, als we daarbij nu bedenken dat Hans Sach's lied geschreven
is op de tekst 'Salve, ich gruss dich schone'(!), is het dan gewaagd
te veronderstellen dat Luther van wie bekend is dat hij een conservatieve
muziekmentaliteit bezat met dit zijn melodietype ook niets anders
wilde zijn dan zijn zangers tot opmerkzaamheid te verleiden, om aandacht
voor de bedoeling van zijn tekst te vragen en ons met deze zwierige
melodie tegelijk heeft willen opwekken zijn lied niet statig of fier,
maar blij en opgewekt te zingen, niet gehaast maar wel vlot, niet
luid maar ook niet lauw?
Verschijnt ons Luther's parafrase over Psalm 46 dan niet als een sierlijk
lied, waarmee bij zijn geliefde gemeente heeft willen aanspreken?
Of, om het in de geest van zijn tijd te formuleren: Heeft hij met
zijn welgekozen melodietype de Kerk, die bij 'die werte Magd' noemde,
niet willen oproepen tot luisteren naar wat hij in zijn ode op Gods
goedheid en trouw te zeggen had?
Hoe het ook zij, met het herstel van de oorspronkelijke melodie in
de hedendaagse gezangboeken is het op zichzelf nog niet gedaan. Wij
zullen haar ook weer op de geëigende manier moeten leren zingen, niet
massief en zeker ook niet met dreunende orgelbegeleiding.
Tenslotte nog de vraag of wij Luthers 'Een vaste burcht' op komende
31 oktober a.s. zullen of 'mogen' zingen, nu op die dag de 21ste zondag
na Trinitatis en de herdenking der kerkhervorming samenvallen.
Het komt er natuurlijk op aan wat we in onze kerkdiensten laten prevaleren:
het kerkjaar dat de heilsgeschiedenis volgt of een historische datum
uit de kerkgeschiedenis. Daarvan hangt immers niet alleen de keuze
van de Schriftlezingen en gebeden, maar ook die der liederen, vooral
die van Introitus- en hoofdlied, af.
Denkbaar is vanzelfsprekend dat we het één doen en het andere niet
nalaten en dit grootse kerklied als slotlied zingen, ook al zou de
46e psalm reeds aan het begin van de dienst door het koor (of de gemeente)
psalmodisch hebben geklonken.
Maar dan hopelijk wel met de authentieke melodievorm en zijn daaruit
voortvloeiende consequenties voor het zingen, en niet met een knieval
voor het afgodsbeeld dat martiale protestanten eenmaal uit Luther's
psalmlied hebben gesneden.
Willem Mudde

